Hoofdstuk 1 — Veehouderij in Nederland
-
Landbouw (groene productie) kun je opdelen in plantenteelt en veehouderij.
-
Het houden van landbouwhuisdieren voor productie van bijvoorbeeld vlees, melk of eieren.
-
Landbouwhuisdieren hoor je bij agrarische productie van onder andere melk, vlees en eieren. In de tekst staat expliciet: niet alle productiedieren zijn gelijk aan landbouwhuisdieren.
-
Optimaal gebruik van grond, mest, kunstmest enzovoort om maximaal te produceren. Het houden van landbouwhuisdieren is in Nederland meestal intensief: grond is schaars en duur, waardoor veel ruwvoerproductie en mest/kunstmest worden ingezet.
-
Het houden van weinig dieren op een groot oppervlak, bijvoorbeeld een schaapskudde in een natuurgebied of Schotse Hooglanders in de duinen (deels voor "natuurvlees").
-
Vaak niet rendabel genoeg om van te leven; veel kleine bedrijven worden overgenomen door grotere, rendabelere veehouderijen.
-
Nieuwe activiteiten naast de kernproductie om inkomsten te halen, bijvoorbeeld pensionpaarden, camping, kinderopvang, zelf zuivel verwerken tot kaas en ijs, of een zorgboerderij.
-
Gangbare veehouderij: zoals dieren gemiddeld in Nederland worden gehouden; verschilt per diersoort en bedrijf. Los van biologisch zijn er ook verschillen binnen gangbare productie.
-
Biologische veehouderij moet voldoen aan strenge regels en wordt gecontroleerd. Onnodige ingrepen zoals preventief antibiotica zijn niet toegestaan, geen kunstmest, biologisch voer — dit maakt productie duurder.
-
Een keten van bedrijven die bij hetzelfde product horen, bijvoorbeeld melkveehouderij → melkfabriek → detailhandel, met ook klavermesterij en slachterij als schakels.
-
Bedrijven die het product verwerken (bijvoorbeeld melkfabriek, vleesverwerker, slachterij).
-
Bedrijven die de veehouderij van diensten en producten voorzien: krachtvoerfabrikant, kunstmest, veearts, stalbouwer, adviseurs, machines en apps voor management.
-
Onderdeel van een bedrijfskolom rond varkensvlees — net als bij melk en pluimvee kun je voor vleesvarkens een keten van productie en afzet schetsen.
Hoofdstuk 2 — Bedrijfsmatig dieren houden
-
Dieren houden om er geld mee te verdienen (melkveehouderij, vleesvarkenshouderij, manege, opleiding van bewakingshonden, enz.). Er wordt gezocht naar balans tussen inkomen en welzijn/goede zorg.
-
Het doel waarvoor een productiedier wordt gehouden (melk, vlees, eieren). Er wordt gefokt op dieren die bij dat doel passen — bijvoorbeeld veel melk bij melktype, blokvorm bij vleestype.
-
De buitenkant van het dier: de bouw van het lichaam. Het productiedoel is vaak aan het exterieur te zien.
-
De manier waarop een dier wordt gehouden: het soort hok of stal. Prijzen worden door de markt bepaald; daardoor is rendabele productie met aandacht voor welzijn, milieu en landschap een punt van spanning.
-
Het systeem waarin dieren worden gehouden — afgestemd op natuurlijk gedrag en productiedoel; verschilt per diersoort en groep.
-
Pasgeboren kalveren worden vaak individueel gehuisvest om ze goed te kunnen volgen.
-
Een grote stal met stro die regelmatig wordt bijgevuld; wordt gebruikt voor grotere kalveren en kan ook voor melk- of zoogkoeien.
-
Koeien die voor melkproductie worden gehouden; worden meestal in een ligboxenstal gehuisvest.
-
Koeien met kalveren (zooggroep); kunnen onder andere in potstal of op gecombineerde vloer worden gehouden.
-
Stal met aparte ligplaatsen (ligboxen) en een loopstrook; gangbare huisvesting voor melkkoeien.
-
Afgescheiden ruimtes waar koeien kunnen liggen.
-
Vloer waarover koeien lopen in de ligboxenstal; bij andere groepen ook gebruikelijk (kalveren, varkens).
-
Het hek waardoor koeien bij het voer vanaf de voergang kunnen eten.
-
Plek waar concentrate (brok) wordt aangeboden — onderdeel van veel ligboxenstallen.
-
Welzijnsvoorziening in de stal waar koeien zich tegenaan kunnen wrijven.
-
Stallen zijn vaak geïsoleerd om temperatuur te reguleren — varkens zijn gevoelig voor kou en temperatuurwisselingen.
-
Ventilatie met mechanische installaties om klimaat in de stal stabiel te houden.
-
Verblijf voor zeugen met pasgeboren biggen; zeug kan worden opgesloten om liggen op biggen te voorkomen; warmte voor biggen via lamp of vloerverwarming.
-
Kuiken voor vleesproductie — andere eisen aan huisvesting dan leghennen door kortere levensduur en ander productiedoel.
-
Kippen voor eiproductie; huisvesting verschilt sterk van vleeskuikenhouderij.
-
Technologie die dagelijkse werkzaamheden verlicht: automatisch voeren, water, robots (melkrobot, mestschuifrobot), ventilatiebesturing, enz.
Hoofdstuk 3 — Voortplanting en fokkerij
-
Vanaf geslachtsrijping moeten mannelijke en vrouwelijke dieren vaak gescheiden worden om ongewenste dekking te voorkomen.
-
Het moment waarop een vrouwelijk dier (bijna) volgroeid is en je gepland wilt gaan fokken.
-
Kenmerken bij volwassen dieren zoals kleuren en bouw die een indicatie geven voor geslacht (aanvulling op primaire kenmerken).
-
Direct zichtbare geslachtsdelen (penis of vagina). Bij twijfel: grote afstand tussen anus en geslachtsopening wijst vaak op een mannelijk dier.
-
Mannetjes waarvan de testikels zijn verwijderd; hierdoor verdwijnen hormonen die bij voortplanting horen — geschikt voor andere functies dan fokker.
-
Van wilde voorouders tot tamme landbouwhuisdieren gegaan; bij rassen: herkenbaar als lid van het ras door fok en kenmerken.
-
Documentatie waarmee je kunt aantonen dat een dier bij een bepaald ras hoort.
-
Officiële beschrijving van hoe een ras eruit hoort te zien en welke eigenschappen tellen.
-
Kunstmatige inseminatie: een zeug of koe (enz.) bevruchten met gecontroleerd sperma van een geschikte vader, soms van over de hele wereld; rietjes worden bewaard in vloeibare stikstof.
-
Identificatie en registratie: elk landbouwhuisdier heeft een uniek nummer; bij rund, varken en schaap vaak in het oor.
-
Koppel Informatiesysteem Pluimvee: bij leghennen en vleeskuikens een nummer voor het koppel, niet per individueel dier.
Hoofdstuk 4 — Voeding en gezondheid
-
Dieren die vooral plantaardig voedsel eten — de grootste groep; veel herkauwers eten gras.
-
Eters van dierlijk voedsel; in productiedieren zeldzamer dan planteneters. In de lesstof als voorbeeld de nerts (marterachtige, gehouden voor pels — in Nederland verdwenen door ruiming/regels).
-
Eten plantaardig en dierlijk; voorbeeld varken — ook opruimers van reststromen uit de menselijke voedselketen.
-
Plantenetende grazers met vier magen (pens, netmaag, boekmaag, lebmaag) die voedsel twee maal kauwen om ruw vezelrijk voer te verteren.
-
Marterachtige vleeseter gehouden voor pels; in de lesstof genoemd in relatie tot verbod en corona-uitbraak en ruiming.
-
Voeding met veel vezels en relatief weinig energie, weinig bewerkt — gras, hooi, kuilgras, groente en fruit; belangrijk voor darmwerking bij planteneters en alleseters.
-
Geconcentreerd voer met veel energie en weinig vezels (brok, muesli), fabrieksmatig en diersoortspecifiek.
-
Alles wat een dier per etmaal eet; samenstelling hangt af van soort en productiestadium.
-
Een periode van 24 uur — het rantsoen wordt per etmaal vastgesteld.
-
Het deel van het voer dat nodig is om gezond te blijven (vaak vooral ruwvoer bij planteneters).
-
Extra energie (vaak krachtvoer) om productie te ondersteunen, afgestemd op het product.
-
Vet- en vleesbedekking; indicator voor voedingstoestand en gezondheid — in de praktijk vaak met Body Condition Score (BCS) 1–5.
-
Wordt beoordeeld aan de hand van vijf vrijheden: vrij van honger/dorst, ongemak, pijn/ziekte, angst/stress, en vrij om natuurlijk gedrag te tonen.
-
De mate waarin een dier ziekte kan afweren; verlaagd bij jonge en oude dieren, na werpen, verwonding, stress of slechte voeding.
-
Hoeveelheid ziekteverwekkers om het dier heen; stijgt bij slecht stalklimaat, slechte ventilatie, viezigheid of hoge bezetting.
-
Werkzaamheden die elke dag moeten: voer, water, gezondheid controleren.
-
Klauwen bekappen, enten, scheren, ontwormen, stallen reinigen — op vaste momenten/herhaling.
Geen begrippen gevonden voor deze zoekterm.